← Back to list

Na de onttovering — Hoe mirakelverhalen opnieuw gelezen kunnen worden

Proloog — De tovenaar van het goede

Jan De Vuyst · 2026-04-09 12:04 · 0 claps · 16.5 min read
#nederlands #geloof #mirakel
Open on Medium ↗
Wiki topics: 🧘 · Spirituality

Na de onttovering — Hoe mirakelverhalen opnieuw gelezen kunnen worden

  1. Proloog — De tovenaar van het goede

Als kind had de wereld voor mij nog een middelpunt. Niet zichtbaar, niet tastbaar, maar onmiskenbaar aanwezig. Er was iemand die waakte, die ingreep wanneer het nodig was, die het goede uiteindelijk zou laten zegevieren. God was geen abstract begrip, maar een macht — een beschermer, soms streng, soms nabij, maar altijd betrokken.

En Jezus bewoog zich in datzelfde landschap van verbeelding. Niet als een verre figuur uit een verleden, maar als iemand die handelde, sprak, ingreep. Iemand die zieken genas, stormen bedaarde, en het onmogelijke mogelijk maakte. In de verbeelding van een kind kreeg hij trekken van een figuur als Gandalf: geen goochelaar van goedkope trucs, maar een hoeder van het goede, iemand die wist wanneer macht gebruikt moest worden en wanneer terughoudendheid meer betekende.

Dat beeld is eenvoudig. Maar het is niet leeg.

Het draagt een intuïtie in zich — dat de wereld niet willekeurig is, dat goed en kwaad meer zijn dan afspraken tussen mensen, dat er een orde bestaat die niet volledig zichtbaar is maar zich soms toont in gebaren van herstel, in onverwachte wendingen, in wat wij dan “wonder” noemen. Het kind denkt in beelden omdat het nog geen andere taal heeft, maar die beelden zijn niet zonder inhoud. Ze zijn voorlopige vormen van verstaan.

Toch komt er een moment waarop die beelden beginnen te schuiven. Kennis groeit, het denken wordt kritischer, de wereld groter en weerbarstiger. Wonderen botsen met wat men leert over natuur en causaliteit. Verhalen die ooit vanzelfsprekend waren, vragen om verantwoording. Wat eerst helder leek, wordt ambigu.

En zo ontstaat een spanning die niet eenvoudig oplosbaar is: tussen de verbeelding die betekenis draagt en het denken dat om helderheid vraagt.

Moet men het kinderlijke beeld achterlaten om volwassen te worden Of verliest men dan ook iets wat niet zomaar te vervangen is?

Deze vragen vormen het beginpunt van wat volgt. Niet als een afrekening met vroegere voorstellingen, maar als een poging om te begrijpen wat zich in die beelden heeft aangediend — en of er, na de onttovering, nog een andere manier van zien mogelijk is.

2. De breuk — Onttovering en scepsis

Er komt een moment waarop het denken zich losmaakt uit de vanzelfsprekendheid van beelden. Niet abrupt, maar geleidelijk, bijna ongemerkt. Onderwijs speelt daarin een rol, maar ook de stille werking van tijd: begrippen scherpen zich, vragen worden preciezer, de wereld toont zich in haar samenhang. Wat eerst als gegeven werd aanvaard, vraagt nu om verantwoording.

De werkelijkheid krijgt contouren die minder buigzaam zijn. Natuurwetten laten zich niet zomaar opschorten. Oorzaak en gevolg vormen een keten die zich niet licht laat doorbreken. Wat ooit als wonder werd verteld, komt onder druk te staan van een andere manier van begrijpen — een manier die zoekt naar regelmaat, naar herhaalbaarheid, naar bewijs.

Daarmee groeit ook een zekere achterdocht. Niet noodzakelijk vijandig, maar wel scherp: kan men deze verhalen nog letterlijk nemen? Zijn zij beschrijvingen van wat gebeurd is, of veeleer uitdrukkingen van wat men geloofde? De vanzelfsprekendheid verdwijnt. Wat overblijft, is een spanning tussen twee registers van waarheid: dat van het verhaal en dat van de verklaring.

Het mirakel wordt in deze beweging problematisch. Niet omdat het elke betekenis verliest, maar omdat het zijn plaats verliest binnen een wereldbeeld dat geen ruimte meer laat voor onderbrekingen van de orde. Wat vroeger teken was van een hogere macht, lijkt nu eerder een breuk met wat men als werkelijkheid is gaan verstaan.

En dan dient zich een vraag aan die niet eenvoudig te ontwijken is: als dit niet letterlijk waar is, wat blijft er dan over?

Het is een vraag die gemakkelijk kan omslaan in ontkenning of onverschilligheid. Wat niet standhoudt als feit, wordt terzijde geschoven als illusie, als overblijfsel van een minder ontwikkeld denken. De onttovering lijkt dan een zuivering: wat niet kan, verdwijnt.

Maar zo eenvoudig is het niet.

Want in diezelfde beweging waarin de wereld haar betovering verliest, wint zij aan helderheid. En helderheid is niet niets. Zij opent ruimte voor onderscheid, voor nuance, voor een ander soort aandacht. De breuk die hier ontstaat, is geen louter verlies. Zij dwingt tot herlezing.

Onttovering is dan geen einde, maar een overgang — een moment waarop oude zekerheden wegvallen, niet om de leegte te installeren, maar om plaats te maken voor een andere manier van verstaan. Een denken dat niet langer rust op vanzelfsprekende beelden, maar ook niet hoeft te eindigen in reductie.

Wat verloren gaat aan vanzelfsprekendheid, kan misschien gewonnen worden aan diepte.

3. De evangelies als geen verslag, maar vertelling

Wanneer de eerste scepsis is gaan liggen, kan zich een ander inzicht aandienen — voorzichtig, maar beslissend. Misschien stellen we de verkeerde vraag. Misschien moeten de evangelies niet in de eerste plaats gelezen worden als verslag, maar als vertelling.

Dat betekent niet dat zij losstaan van wat gebeurd is. Maar wel dat zij niet beantwoorden aan wat wij vandaag onder “journalistiek” verstaan: een nauwkeurige reconstructie van feiten, ontdaan van interpretatie. In de antieke wereld bestond die scherpe scheiding niet. Wat men doorgaf, was herinnering, maar een herinnering die reeds doordrongen was van betekenis. Er werd verteld om te bewaren, maar ook om te duiden.

Herinnering, interpretatie en geloof zijn in deze teksten met elkaar verweven. Wat men zich herinnert, wordt verteld in het licht van wat men is gaan begrijpen. En wat men begrijpt, wordt uitgedrukt in beelden en verhalen die spreken tot de verbeelding.

Daarom verschuift de vraag. Niet langer: wat is er precies gebeurd? Maar: wie is deze mens voor ons geworden?

De mirakelverhalen moeten in dat licht gelezen worden. Zij zijn geen losse anekdotes, geen demonstraties van macht omwille van de macht, maar narratieven die iets willen onthullen.

Op een bruiloft, ergens in Galilea, raakt de wijn op. Het feest dreigt stil te vallen nog voor het ten volle begonnen is. Dan wordt verteld hoe water verandert in wijn — niet een beetje, maar in overvloed, en van betere kwaliteit dan wat er eerst was. Het is een eenvoudig verhaal, bijna huiselijk van toon. En toch draagt het een onderstroom: waar deze mens verschijnt, wordt schaarste overvloed, wordt het alledaagse getransformeerd tot iets dat vreugde mogelijk maakt.

Of neem het verhaal van de vissers die een nacht lang niets hebben gevangen. Vermoeid, wellicht ook moedeloos, keren zij terug met lege netten. Dan komt de uitnodiging om opnieuw uit te varen, tegen alle ervaring in. De vangst die volgt, is zo groot dat de netten dreigen te scheuren. Ook hier gaat het niet alleen om een onverwacht resultaat. Het verhaal tekent een beweging van leegte naar volheid, van mislukking naar vertrouwen — en suggereert dat deze mens een nieuwe horizon opent, zelfs waar alle verwachting is opgegeven.

Men zou deze verhalen kunnen reduceren tot het ongeloofwaardige, of ze verdedigen als uitzonderlijke feiten. Maar beide benaderingen missen iets. Wat hier wordt verteld, wil niet in de eerste plaats overtuigen door bewijs, maar door betekenis. Het zijn verhalen die spreken in de taal van het teveel: teveel wijn, teveel vis, teveel leven om binnen de gewone maat te blijven.

Zo gelezen, verliezen de mirakels hun functie als probleem en krijgen zij hun plaats terug als teken. Niet als onderbreking van de werkelijkheid, maar als een manier om haar anders te zien.

4. Het wonder als teken

Er is een subtiel maar wezenlijk onderscheid dat zich hier aandient: dat tussen het wonder en het teken. Een wonder, in de alledaagse betekenis, doorbreekt de orde der dingen. Het trekt de aandacht naar zichzelf, als iets uitzonderlijks, iets wat niet had mogen of kunnen gebeuren. Een teken daarentegen verwijst — het staat niet op zichzelf, maar opent een richting, wijst voorbij wat zichtbaar is.

De mirakelverhalen krijgen een andere klank wanneer men ze zo leest: niet als breuken in de werkelijkheid, maar als vensters erop.

Een man wordt bij Jezus gebracht. Hij kan niet lopen; zijn lichaam draagt hem niet meer. Anderen moeten hem dragen, hem neerleggen waar hij zelf niet kan komen. In het verhaal wordt hij aangesproken, niet als een object van medelijden, maar als iemand die opnieuw kan opstaan. En hij staat op, neemt zijn draagbed en gaat naar huis. Het is een eenvoudig gebaar, bijna nuchter verteld. Maar wat hier gebeurt, raakt aan meer dan lichamelijk herstel. Het is een terugkeer tot zichzelf, een herwinning van waardigheid en handelingsvermogen. Genezing wordt zo een beeld van menswording: iemand wordt opnieuw in staat gesteld zijn eigen weg te gaan.

Of er is die andere scène, aan de oever van een meer. De avond valt, de wind steekt op, het water wordt onrustig. De leerlingen bevinden zich midden op het meer, en wat eerst een overtocht was, wordt een bedreiging. Dan wordt verteld hoe Jezus de storm tot bedaren brengt — niet met geweld, maar met een woord. De wind gaat liggen, het water wordt stil. Ook dit kan gelezen worden als een natuurwonder, een ingreep in de orde van de elementen. Maar het verhaal draagt een andere resonantie: het suggereert een diepe afstemming op de kosmos, een vorm van aanwezigheid waarin onrust niet wordt ontkend, maar tot rust kan komen. De storm is niet alleen buiten hen, maar ook in hen.

En dan is er het meest indringende verhaal: dat van een gestorven vriend, die al dagen in het graf ligt. De dood heeft zijn werk gedaan; er is geen verwachting meer. De naam wordt geroepen, en tegen alle logica in komt de dode naar buiten, nog omwonden met doeken. Het is een beeld dat zich moeilijk laat reduceren. Men kan het afwijzen als onmogelijk, of verdedigen als feit. Maar als teken opent het een andere horizon: dat wat als definitief wordt ervaren, niet noodzakelijk het laatste woord heeft. Het verhaal spreekt over een leven dat zich niet laat opsluiten in de grenzen die wij als absoluut ervaren.

In al deze verhalen verschuift de aandacht. Niet de vraag naar hoe staat centraal, maar de vraag naar wat dit betekent. De taal van de fysica maakt plaats voor een taal van betekenis. Het wonder wordt geen probleem dat opgelost moet worden, maar een uitnodiging om anders te kijken.

Misschien ligt de kracht van deze verhalen precies daarin: dat zij niet dwingen tot geloof in het uitzonderlijke, maar uitnodigen tot herkenning. Zij spreken over breuken en herstel, over onrust en stilte, over verlies en onverwacht leven — ervaringen die, in andere vormen, het menselijke bestaan blijven doorkruisen.

Zo wordt het wonder een teken. En het teken: een stille aanwijzing dat de werkelijkheid meer draagt dan wat zij op het eerste gezicht prijsgeeft.

5. Resonantie met de traditie

De verhalen staan niet op zichzelf. Zij klinken in een ruimte die al gevuld is met oudere stemmen. Wie ze aandachtig leest, merkt hoe zij teruggrijpen naar motieven en beelden die reeds lang deel uitmaken van een gedeeld geheugen. De evangelisten schrijven niet in een leegte, maar in de bedding van wat wij het Oude Testament noemen — een traditie waarin verhalen niet alleen worden bewaard, maar telkens opnieuw worden gelezen.

Zo is er het motief van het brood. In de woestijn ontvangt het volk manna, voedsel dat niet uit henzelf voortkomt maar wordt gegeven, dag na dag. Het is geen overvloed, maar genoeg — een broze zekerheid in een onzekere omgeving. Tegen die achtergrond krijgt het verhaal van de broodvermenigvuldiging een andere diepte: opnieuw wordt er gedeeld wat onvoldoende lijkt, opnieuw blijkt het genoeg te zijn, en zelfs meer dan dat. Wat vroeger een teken van overleven was, wordt nu een teken van overvloed en gemeenschap.

Ook de verhalen van genezing dragen een echo. Profeten als Elia en Elisa treden op als bemiddelaars van leven: zij genezen zieken, wekken doden op, doorbreken de uitzichtloosheid van concrete situaties. Wanneer gelijkaardige verhalen rond Jezus worden verteld, is dat geen toeval. De lezer die vertrouwd is met deze traditie, herkent de lijnen. Maar tegelijk verschuift er iets: de bemiddeling lijkt directer, de nabijheid groter, de grens tussen mens en drager van goddelijke kracht dunner.

Hetzelfde geldt voor het motief van leven uit dood. In de oude verhalen is het uitzonderlijk, een teken dat de macht van de dood niet absoluut is. In de evangelies wordt dit motief intenser, indringender. Het krijgt een centrale plaats, alsof hier een kern wordt aangeraakt die reeds aanwezig was, maar nog niet ten volle uitgesproken.

Wat hier gebeurt, is geen eenvoudige herhaling. De evangelisten kopiëren niet; zij herlezen. Zij nemen vertrouwde motieven op, maar plaatsen ze in een nieuwe samenhang, verschuiven accenten, verdiepen betekenissen. Traditie wordt zo geen statisch gegeven, maar een levende stroom waarin het verleden opnieuw wordt verstaan in het licht van een nieuwe ervaring.

Continuïteit en transformatie vallen hier samen. Wat was, blijft herkenbaar. Maar het wordt anders gezegd, anders gehoord.

Misschien is dat de eigen aard van religieuze traditie: niet dat zij onveranderd wordt doorgegeven, maar dat zij telkens opnieuw wordt geopend — alsof dezelfde woorden, in een andere tijd, een andere diepte kunnen prijsgeven.

6. De vraag naar identiteit

Wanneer men de verhalen van de evangelisten samenlegt — de genezingen, de tekenen, de woorden en de stiltes — dringt zich onvermijdelijk een vraag op: wie is voor hen deze mens, die in deze vertellingen naar voren treedt?

Niet enkel een begaafde leraar, hoe scherp zijn woorden ook zijn. Niet enkel een bezielende figuur, hoe sterk zijn aanwezigheid ook wordt ervaren.

Er lijkt iets in hem te worden herkend door hen, dat deze categorieën overstijgt, zonder ze op te heffen. Iets dat zich niet laat vastleggen in één begrip, maar zich toont in een veelheid van beelden: iemand die gezag heeft zonder geweld, nabij is zonder zich op te dringen, spreekt en tegelijk ruimte laat.

De mirakelverhalen spelen in die vraag een bijzondere rol. Niet omdat zij als bewijs zouden dienen — alsof men via het uitzonderlijke het wezen van deze mens zou kunnen vaststellen. In moderne zin overtuigen zij niet. Zij beantwoorden niet aan de eisen van controleerbaarheid of herhaalbaarheid. Als bewijsvoering schieten zij tekort. Maar misschien is dat ook niet hun bedoeling.

Wat zij doen, is iets anders: zij trachten een ervaring onder woorden te brengen die zich niet eenvoudig laat reduceren tot begrippen. De ervaring dat in deze mens iets verschijnt dat men niet volledig kan verklaren, maar ook niet kan negeren. Iets dat mensen aantrekt, bevraagt, soms ook verontrust.

De verhalen spreken dan niet om te overtuigen, maar om te laten zien. Zij openen een ruimte waarin de lezer zelf moet kijken, moet aftasten, moet antwoorden. Wie is deze mens die blinden laat zien — en tegelijk zelf niet eenduidig zichtbaar wordt? Wie is deze mens die spreekt over leven — en zelf door de dood heen gedacht wordt?

De evangelisten geven geen sluitend antwoord. Zij bieden geen definitie, geen afgerond portret. Wat zij doen, is een beweging op gang brengen: van herkenning naar verwondering, van verwondering naar vraag. Misschien ligt precies daarin hun kracht. Dat zij niet vastleggen, maar ontsluiten. Niet verklaren, maar tonen.

En in dat tonen wordt de vraag naar identiteit geen probleem dat opgelost moet worden, maar een horizon die zich opent — telkens opnieuw, voor wie bereid is te kijken.

7. Gemeenschap en overtuiging

De verhalen die wij lezen, zijn niet in het luchtledige ontstaan. Zij dragen de sporen van concrete gemeenschappen — klein in aantal, kwetsbaar in positie, zoekend naar woorden om hun ervaring te begrijpen en te delen. Het zijn groepen die leven in een spanningsveld: geworteld in een bestaande traditie, maar tegelijk op weg naar iets dat zich nog niet volledig heeft uitgekristalliseerd.

In zo’n context wordt vertellen een noodzaak. Niet als vrijblijvend spreken, maar als een manier om samenhang te bewaren. Wie zijn zij? Wat verbindt hen? Waarom volgen zij deze weg? De evangelies beantwoorden deze vragen niet systematisch, maar narratief. Zij bieden geen leerstellige uiteenzetting, maar een reeks verhalen waarin hun identiteit kan worden herkend.

De mirakels maken deel uit van die taal. Zij functioneren als tekens van betekenis, maar ook als dragers van overtuiging. Binnen de gemeenschap versterken zij het vertrouwen: wat men ervaren heeft, is niet zonder grond. Naar buiten toe bieden zij een vorm van legitimatie: deze figuur, die voor hen centraal staat, heeft gezag, heeft betekenis, heeft kracht.

Op het eerste gezicht ligt hier de verdenking van propaganda voor de hand. Zijn dit geen verhalen die bedoeld zijn om een beweging te rechtvaardigen, om aanhang te winnen, om twijfel te bezweren?

Die vraag moet ernstig genomen worden. En toch lijkt een reductie tot propaganda tekort te schieten. Allereerst omdat propaganda de neiging heeft om te vereenvoudigen, om twijfel uit te sluiten, om een eenduidig beeld op te dringen. De evangelies doen vaak het tegenovergestelde. Zij tonen misverstand en onbegrip, zelfs bij de naaste leerlingen. Zij laten ruimte voor aarzeling, voor traag inzicht, voor momenten waarop niets lijkt te gebeuren. Dat is geen taal die enkel wil overtuigen; het is taal die ook de breuklijnen toont.

Daarnaast ontbreekt de triomf die men in propaganda zou verwachten. De centrale figuur eindigt niet in zichtbare overwinning, maar in afwijzing en dood. De verhalen verhullen dat niet, zij maken het tot een kernmoment. Een beweging die zichzelf louter wil legitimeren, zou wellicht een ander verloop kiezen.

Tenslotte is er de aard van de mirakels zelf. Zij worden niet ingezet als spektakel om te imponeren, maar vaak in stilte, aan de rand, in concrete ontmoetingen. Zij zijn gericht op herstel, niet op demonstratie. Hun betekenis ligt minder in het effect dat zij sorteren, dan in de werkelijkheid die zij suggereren.

Dit alles voelt aan dat hier meer aan de hand is dan louter P.R. Wat deze teksten dragen, is een poging om een gedeelde ervaring onder woorden te brengen — een ervaring die overtuigt, maar niet dwingt; die vorm geeft, maar niet afsluit.

De gemeenschap spreekt, maar niet alleen om zichzelf te bevestigen. Zij zoekt woorden voor wat haar overkomt. In die zoektocht ontstaan verhalen die verbinden en tegelijk openlaten — verhalen die een identiteit vormen zonder haar volledig vast te leggen. Dat is geen taal die enkel wil overtuigen; het is taal die ook de breuklijnen toont. Zij toont de onzekerheid die deel is van elke gemeenschap.

8. Existentiële lezing

Misschien is hier een pas op de plaats nodig.

Want wie deze verhalen leest, kan ongemerkt meegevoerd worden in hun perspectief — alsof men, zonder het te merken, de taal van het geloof begint te spreken. De betrokkenheid van de vertelling heeft die kracht: zij nodigt uit tot instemming. Maar juist daarom is het van belang de afstand te bewaren die het denken mogelijk maakt. Niet om af te breken, maar om helder te zien.

Wat blijft er over wanneer men die afstand bewaart? Niet noodzakelijk minder — maar iets anders.

De verhalen kunnen gelezen worden als spiegels van menselijke ervaring. Niet omdat zij letterlijk beschrijven wat zich voordoet, maar omdat zij in beelden vatten wat mensen ondergaan, vrezen, hopen. Blindheid is dan niet alleen een gebrek aan zicht, maar een vorm van niet-zien — van vastzitten in wat men niet begrijpt. Verlamming wordt het beeld van een leven dat niet meer beweegt, dat geen richting vindt. De storm op het meer is niet enkel een natuurfenomeen, maar de ervaring van onrust, van overgeleverd zijn aan krachten die men niet beheerst.

In die zin spreken de mirakels een andere taal. Zij zeggen niet: dit is gebeurd. Zij zeggen: dit gebeurt. Mensen raken hun oriëntatie kwijt. Mensen vallen stil. Mensen worden overspoeld.

En soms — niet altijd, niet voorspelbaar — ontstaat er een beweging die daar doorheen gaat. Iemand komt tot inzicht waar eerst duisternis was. Iemand hervindt kracht waar alles verstard leek. Iemand ervaart een stilte die niet de afwezigheid van geluid is, maar de afwezigheid van dreiging.

Men kan dat beschrijven zonder religieuze termen. En toch lijken de verhalen er woorden voor te zoeken die verder reiken. Wat hier op het spel staat, is niet de bevestiging van het uitzonderlijke, maar de mogelijkheid van het andere. Dat het niet hoeft te blijven zoals het is. Dat breuk geen eindpunt is. Dat in het meest gesloten moment een opening denkbaar blijft.

Hoop, dan, niet als zekerheid, maar als richting. Transformatie, niet als plotse ommekeer, maar als verschuiving die zich soms pas achteraf laat zien. Een nieuw begin, niet als uitwissing van wat was, maar als een andere verhouding ertoe.

Dat deze verhalen betekenis dragen, betekent niet dat zij onschuldig zijn; elke betekenis kan ook worden ingezet om te sturen, te legitimeren of uit te sluiten.

In deze lezing verliezen de verhalen hun aanspraak op feitelijkheid, maar niet hun kracht. Misschien worden zij juist leesbaarder, omdat zij niet langer vragen om geloof in het onwaarschijnlijke, maar om herkenning van het mogelijke.

En zo keren zij terug, niet als antwoorden, maar als taal. Een taal die zegt: dat wat gesloten lijkt, niet definitief gesloten is; dat wat verloren lijkt, niet zonder rest verdwijnt. En dat de mens, zelfs in zijn meest kwetsbare momenten, niet volledig samenvalt met wat hem overkomt.

9. Een volwassen openheid

Na deze omweg — langs onttovering, herlezing en betekenis — keert de lezer terug naar zijn beginpunt. Niet als dezelfde, maar ook niet als iemand die alles achter zich heeft gelaten. De kinderlijke verbeelding is verdwenen in haar oorspronkelijke vorm, maar wat zij droeg, is niet noodzakelijk verloren.

De vraag is nu anders gesteld. Niet langer: moet ik dit geloven? Maar: hoe kan ik dit verstaan zonder mijzelf te verliezen?

Een terugkeer naar letterlijk geloof lijkt moeilijk, misschien zelfs onmogelijk. De wereld heeft zich anders getoond, en wat eenmaal kritisch is doordacht, laat zich niet eenvoudig terugdraaien. Maar de andere beweging — de reductie van deze verhalen tot louter illusie of misverstand — doet evenmin recht aan wat zij in beweging brengen.

Er ontstaat een tussenruimte. Geen compromis, maar een houding.

Kritisch, in die zin dat men onderscheid blijft maken. Dat men de teksten niet verwart met feiten, dat men vragen blijft stellen, dat men zich niet overgeeft aan wat niet kan worden gedragen door het denken.

Maar niet-cynisch. Niet alles wat zich niet laat verifiëren, is daarom leeg. Cynisme sluit af waar betekenis zich nog zou kunnen aandienen. Het maakt het denken scherp, maar ook arm.

En dan: ontvankelijk. Misschien het moeilijkste. De bereidheid om te luisteren naar een oude taal die niet de eigen taal is, of niet meer vanzelfsprekend de eigen taal is. Religieuze verhalen spreken in beelden, in overdrijving soms, in paradoxen. Zij zeggen meer dan zij letterlijk zeggen, en juist daarom vragen zij een andere vorm van aandacht.

Men zou kunnen zeggen: zij spreken over het menselijke waar de gewone taal tekortschiet. Over schuld en vergeving, over verlies en hoop, over breuk en herstel — ervaringen die zich niet volledig laten vangen in analyse of beschrijving. De religieuze taal is dan geen alternatief voor kennis, maar een aanvulling erop: een manier om te zeggen wat anders onuitgesproken blijft.

In deze houding hoeft men niet te kiezen tussen geloof en ongeloof als gesloten posities. Er ontstaat een ruimte waarin men kan lezen zonder te moeten beslissen, kan begrijpen zonder te reduceren.

Misschien is dat wat volwassenheid hier betekent: niet dat alle vragen zijn opgelost, maar dat men ze kan laten bestaan zonder zich ervoor af te sluiten. En dat men, in die openheid, toelaat dat oude verhalen opnieuw spreken — niet als autoriteit, maar als mogelijkheid.

10. Epiloog — Zonder toverstok, zonder leegte

Het beeld keert terug, maar het is niet meer hetzelfde.

De tovenaar van het goede — hij leeft nog, zij het in andere gedaanten. In verhalen die vandaag gelezen en verteld worden, in werelden waar het kwaad een gezicht krijgt en het goede zich moet bewijzen. Figuren als Gandalf en Sauron bevolken nog steeds de verbeelding. Zij belichamen een strijd die groter is dan het individu, een orde waarin keuzes ertoe doen, waarin licht en duisternis niet onverschillig naast elkaar bestaan. Maar anders dan moderne fictie claimen deze oude Bijbelse verhalen geen verzonnen wereld, maar betekenis binnen de werkelijkheid zelf.

Misschien zegt dat iets over wat blijft. Niet het geloof in magie, niet de verwachting dat de orde van de wereld zal worden doorbroken door een ingreep van buitenaf. De toverstok is verdwenen, en met hem de vanzelfsprekendheid van het wonder als feit. Maar wat niet verdwijnt, is het verlangen dat in die beelden werd gedragen: dat het goede niet machteloos is, dat het kwaad niet het laatste woord heeft, dat er zin is in de strijd die mensen voeren, in zichzelf en met elkaar.

Een leeg universum — dat is wat soms overblijft wanneer alle beelden worden afgebroken zonder dat er iets voor in de plaats komt. Een wereld die verklaard kan worden, maar niets meer te zeggen heeft. Maar zo hoeft het niet te zijn. Er is een andere mogelijkheid. Dat men de verhalen niet langer leest als beschrijving van een bovennatuurlijke orde, maar als dragers van betekenis. Dat men erkent dat zij spreken in een taal die de grenzen van het meetbare overschrijdt, zonder daarom in het willekeurige te vervallen. Dat men aanvaardt dat sommige waarheden zich niet laten vastleggen in feiten, maar zich tonen in wat verteld wordt, in wat resoneert, in wat blijft hangen.

Wat blijft er dan over? Geen magie. Maar ook geen leegte. Misschien dit: dat verhalen ons kunnen dragen waar feiten alleen ons niet kunnen brengen. Niet omdat zij ons losmaken van de werkelijkheid, maar omdat zij ons helpen haar te bewonen. Omdat zij woorden geven aan wat anders onuitgesproken blijft. Omdat zij, in hun oude en steeds nieuwe vormen, iets bewaren van een inzicht dat zich niet laat dwingen, maar wel kan worden ontvangen.

De tovenaar is verdwenen.

Maar wat hij vertegenwoordigde, is niet zonder spoor gebleven. Of men deze taal uiteindelijk aanvaardt, blijft een open vraag. Maar dat zij iets probeert te zeggen wat anders moeilijk gezegd raakt, lijkt moeilijk te ontkennen.


메타데이터
post_id
3e5fe93a40ac
slug
na-de-onttovering-hoe-mirakelverhalen-opnieuw-gelezen-kunnen-worden-3e5fe93a40ac
url
https://medium.com/@devuyst.jan/na-de-onttovering-hoe-mirakelverhalen-opnieuw-gelezen-kunnen-worden-3e5fe93a40ac
canonical_url
https://medium.com/@devuyst.jan/na-de-onttovering-hoe-mirakelverhalen-opnieuw-gelezen-kunnen-worden-3e5fe93a40ac
author_url
https://medium.com/@devuyst.jan
status
ok
fetched_at
2026-06-27 23:56:40